Hoe brengen topambtenaren leiderschap in de praktijk? Miriam Twilt-Mendonça, directeur Detentiecentrum Rotterdam bij de DJI en Overheidsmanager van het Jaar 2024, deelt haar visie op loyale tegenspraak.

Leiderschap

Hoe kijken ABD’ers naar hun eigen manier van leidinggeven? En wat vraagt de rol die zij hebben van hun leiderschap?

Miriam Twilt Mendonça, directeur Detentiecentrum Rotterdam bij de DJI

Wat is jouw definitie van loyale tegenspraak?

‘Mijn ervaring is dat veel leidinggevenden vragen om feedback, maar dit vaak heel breed doen. Daardoor ontbreekt soms de durf van medewerkers om in te gaan op die uitnodiging. Ik probeer de feedbackvraag aan mijn collega’s daarom altijd concreet te maken. Wat had ik beter kunnen doen in mijn presentatie van vanmorgen? Hoe kan ik dit overleg de volgende keer nog beter aanpakken? Die vragen stel ik met name aan mijn directiesecretaris. Omdat ik weet dat hij die tegenspraak altijd zal bieden vanuit loyaliteit, kan ik me ook kwetsbaar opstellen. Ook op de werkvloer creëer ik veel ruimte voor tegenspraak. Vandaag heb ik zeker drie, vier mensen gesproken over waar zij tegenaan lopen en welke mogelijke oplossingen ze daarvoor hebben. De feedback van collega’s in de operatie zit vaak verpakt in emotie en frustratie. Maar door daarvoor open te staan, goed te luisteren naar elk verhaal en daar ook daadwerkelijk iets mee te doen, win je harten.’

Hoe organiseer je die gesprekken?

‘Ik wil niet dat collega’s zich op een later moment overvallen voelen door een besluit’

‘In de rijksbrede visie op publiek leiderschap staat: “Geef gezicht en gevoel aan de overheid.” Dat vind ik een heel mooie zin. Ik doe dit onder andere tijdens onze zeepkistsessies, waarin we als directie heel transparant zijn over alles wat er speelt rondom ons detentiecentrum. Over ontwikkelingen binnen en buiten onze muren, maar juist ook over ontwikkelingen die nog onzeker zijn. Ik wil namelijk niet dat collega’s zich op een later moment overvallen voelen door een besluit. Na elke zeepkistsessie verdelen we ons als directie over de zaal en kunnen collega’s op ons afstappen om hun vragen stellen. Zo proberen we tegenspraak zo laagdrempelig mogelijk te organiseren.’

Er is geen politieke consensus over het gevangeniswezen. Welke impact heeft dat op jou?

‘Ik ken de belangen van de minister en de staatssecretaris, en begrijp de moeilijkheid van beide kanten. Binnen het detentiecentrum zijn we daar heel transparant over. Ook daarin is kwetsbaarheid tonen essentieel. Ik heb geleerd om te durven zeggen: “Dit is wat er speelt, ik weet ook even niet wat slim is en wil dus eerst jullie mening voordat ik stelling neem.” Als we vervolgens samen met de OR en onze klankbordgroepen op één lijn komen, dan voel ik me alleen maar gesterkt in mijn verhaal naar de buitenwereld toe. De wensen van de bewindspersonen zijn niet altijd de wensen van de uitvoering. Toch ben ik ervan overtuigd dat door het échte, oordeelloze narratief te vertellen en te laten zien, zij hier wel oor naar hebben. Tijdens werkbezoeken van politieke functionarissen heb ik laten zien waarvoor wij staan en hoe wij het graag zouden willen. Zonder het draagvlak van de werkvloer zou ik dat verhaal niet overtuigend kunnen brengen. Er is ook altijd een collega uit de operatie betrokken bij de werkbezoeken van bewindspersonen. Zij vertegenwoordigen hun achterban en moeten daarom aan tafel zitten.’

Hoe kijk je terug op je eerste vier jaar als directeur en hoe zie je de toekomst van jouw vak?

‘Het zijn moeilijke jaren geweest. Eerst door de coronacrisis, nu vooral door een tekort aan medewerkers en cellencapaciteit. Ik heb geleerd hoe belangrijk het is om de talenten om je heen te waarderen en te benutten, zodat zij binnen de organisatie kunnen doorgroeien. De afgelopen vier jaar heb ik mezelf daarnaast vaak gevraagd: wat vind ik hier als mens van, in plaats van als directeur? Dat bracht me steeds weer bij hetzelfde antwoord. Zolang ik voel dat we intern op één lijn zitten óf mijn “tegendraadse” besluit uitlegbaar is en begrepen wordt, kan ik mijn werk goed doen. In mijn vak hoop ik een beweging in het profieltype van topambtenaren te zien. Mijn ervaring is dat het niet zozeer gaat om aantoonbare ervaring in een vakgebied, maar om je competenties. Geef je de overheid gezicht en gevoel? Ben je transparant en durf je het podium te pakken, ook op moeilijke momenten? We hebben dat soort publieke leiders hard nodig om het vertrouwen te herwinnen en de maatschappelijk opgaven van vandaag op te lossen.’