Een beleidsmaker en een uitvoerder aan het woord over de raakvlakken van hun werk en het belang van een goede samenwerking: Jan Willem van der Ham (divisiehoofd Inspectie NVWA) en Hugo van Kasteel (directeur Dierlijke Agroketens en Dierenwelzijn bij LNV).

In de afgelopen maanden is de verstandhouding tussen de veehouders en de overheid op scherp komen te staan. Wat betekent dat voor jullie werk? Wordt de NVWA-inspecteur nog steeds ontvangen met een kopje koffie en niet met een hooivork?

Hugo van Kasteel

Jan Willem: ‘Onze inspecteur is het eerste gezicht van de overheid dat op het boerenerf komt. En het is logisch dat de boeren hun verhaal tegen hen doen. Het haalt wat druk van de ketel en geeft ons waardevolle informatie. We horen de dilemma’s en kunnen het terugkoppelen naar beleid. Onze inspecteurs zijn hartstikke goed in hun werk: hard op de inhoud, maar zacht op de relatie. Ook in moeilijke tijden en in spannende situaties.’

Hugo: 'De veehouderij staat onder grote druk. Het gevaar bestaat dat we als overheid bij de boeren blíjven langskomen met nieuwe voornemens en eisen. Er is heel veel op elkaar gestapeld en we moeten niet alles tegelijk willen doen. Dat besef is er wel.’

Jullie kennen elkaar nu vijf jaar. Op welk dossier hebben jullie het nauwst samengewerkt?

Jan Willem van der Ham

Hugo: ‘De misstanden in slachthuizen. Die kwamen aan het licht via de media en de Tweede Kamer debatteerde er fel over. De vraag was wat de minister dacht eraan te gaan doen. Daarbij is de kreet: “sluiten die hap” wel een paar keer gehoord. Begrijpelijk, maar heel ingrijpend. Want het is niet alleen de zwaarste sanctie die de NVWA kan opleggen, waar je ook juridisch gezien niet lichtvaardig mee om mag gaan. Het is ook de Kamer die op de stoel van de minister én van de toezichthouder gaat zitten. Het is niet de politiek of het departement, maar de toezichthouder die dat besluit moet nemen.’

Jan Willem: ‘De politiek en de collega’s van beleid bepalen uiteindelijk de grenzen van het speelveld. Maar zodra het spel gespeeld wordt, en we met concrete gevallen te maken hebben, moeten wij ons werk zelf kunnen doen zonder dat politiek of beleid onze professionaliteit in twijfel trekt of zelf in die rol stapt. De opdracht: “sluit dat slachthuis” voelt dan toch wat ongemakkelijk. Want wij willen en moeten vanuit onze eigen risicobeoordeling kunnen zeggen wat wel of niet verstandig is. En daar schuurt het wel eens, voor zowel Hugo als voor mij. Dus juist op zo’n moment moeten we elkaar echt goed weten te vinden en duidelijke afspraken maken. Daar helpen we onszelf én onze politieke baas mee.’

Hugo: ‘Natuurlijk voerden we scherpe gesprekken. Uiteindelijk is het bewuste slachthuis trouwens gesloten. En ik denk dat de NVWA achteraf kan constateren dat het nuttig was dat ze hun tanden lieten zien. Tegelijkertijd was het spannend: je zet niet zomaar het zwaarste middel in dat je hebt. Het was een ingewikkelde situatie: hoe ver kun je gaan voordat de toezichthouder zegt: bemoei je er niet mee en laat ons ons werk in alle rust doen. Het was een zoektocht naar een goede oplossing waar iedereen mee verder kon.’

Jan Willem: ‘Het was zonder meer een goed besluit. Wat ik alleen wil benadrukken is dat de NVWA te maken heeft met een fragiele balans tussen onafhankelijkheid als autoriteit en tegelijkertijd valt onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister. Dat vergt zorgvuldigheid en goede gesprekken, en vraagt om korte lijnen.’

Wanneer denk je: ‘nu ga je te ver’?

Hugo: ‘We hebben goede discussies, maar nooit ruzie. Dat zou denk ik alleen kunnen gebeuren als de ander zich niet aan de afspraken houdt of als je elkaar zou verrassen met onaangenaam nieuws.’

Jan Willem: We discussiëren scherp, maar hebben veel onderling vertrouwen. Dan is “te ver gaan” niet snel aan de orde, we moeten vooral begrip hebben voor elkaars verantwoordelijkheid en rol. De politiek is gediend met onafhankelijk toezicht.’

Zijn beleid en uitvoering te veel gescheiden werelden?

Hugo: ‘Nee. Dat kan ook helemaal niet. We staan ten dienste van elkaar en als toezicht iets zou moeten doen wat niet mogelijk is, moet je het beleid aanpassen. Het kunnen dus gewoonweg geen gescheiden werelden zijn. Er is hooguit afstand. Wat een inspecteur op de boerderij meemaakt staat soms ver weg van wat er bij het departement of in de Tweede Kamer op tafel ligt. En dan moeten we gewoon met elkaar in gesprek. Een voorbeeld: Het Besluit Houders zegt dat een veehouder dieren bescherming moet bieden tegen slechte weersomstandigheden. Maar wat is bescherming dan precies, hoe moet zoiets er dan uitzien? En wat zijn slechte weersomstandigheden en hoe warm of koud moet het zijn als die verplichting ingaat? De NVWA vroeg ons om dat in te vullen. Dat doen we natuurlijk niet van achter het bureau in Den Haag, maar samen met de NVWA. Zo proberen we de afstand te verkleinen.’

Jan Willem: ‘We trekken aan dezelfde kant van het touw, namelijk dat van het publieke belang, en we handelen beiden binnen de grenzen van hetzelfde politieke programma. Dat zorgt er vanzelf al voor dat er niet te veel afstand is. Tegelijkertijd moeten we ook goed weten waar de grenzen van de bemoeienis van de één ophouden en het werkterrein van de ander begint. Daar houden we elkaar op een goede manier scherp op.’

Hugo: ‘Er is trouwens ook in medewerkers wisselwerking tussen het departement en de toezichthouder, veel mensen wisselen van baan tussen LNV en de NVWA. Ook dat maakt dat we elkaars werelden heel goed kennen en dat helpt gewoon om beter samen te werken.’